1. Ik eet met mijn bestek (lepel en vork / mes en vork).
  2. Ik eet mijn boterhammen netjes op (wat niet op is gaat terug mee naar huis).
  3. Ik blijf zitten.
  4. Ik drink netjes van mijn beker.
  5. Ik ben stil in de refter. Ik mag fluisteren.

schans kleuters regelsrefter

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. Als je doorgaat met het gebruiken van de website, gaan we er vanuit dat ermee instemt.

languid